De Leuvense AdoptieStudie (LAS)

De Leuvense AdoptieStudie (LAS) is het eerste grootschalige langetermijnonderzoek naar adoptiegezinnen, ouders én kinderen, in Vlaanderen. Centrale thema’s in dit onderzoek zijn verwachtingen en gevoelens bij adoptieouders, de sociaal-emotionele ontwikkeling van adoptiekinderen, en de interactie tussen adoptieouders en hun adoptiekind.


Achtergrond en doelstellingen

De LAS vindt zijn oorsprong in twee vaststellingen:

Ten eerste bestaat er in Vlaanderen omzeggens geen systematisch onderzoek rond adoptie. Dit contrasteert scherp met de sterke toename van onderzoek naar de ontwikkeling van adoptiekinderen wereldwijd. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de meerderheid van de adoptiekinderen goed ontwikkelen en in de regel een sterke inhaalbeweging vertonen ten opzichte van biologische kinderen. Slechts een minderheid van de adoptiekinderen vertonen een minder optimale ontwikkeling. Dat neemt niet weg dat adoptiekinderen gemiddeld genomen meer vertegenwoordigd zijn in de hulpverlening.
Het is op dit ogenblik echter onbekend in welke mate adoptiekinderen dezelfde ontwikkelingstrajecten vertonen. Bovendien bieden deze bevindingen geen antwoord op de vraag welke factoren en processen precies deze verschillende ontwikkelingstrajecten bepalen.

Ten tweede heeft bestaand adoptieonderzoek zich tot op heden nagenoeg uitsluitend gericht op de ontwikkeling van adoptiekinderen, en veel minder aandacht besteed aan adoptieouders. Dat is vrij merkwaardig, aangezien adoptieouders toch een heel proces meemaken, zowel in de periode voor als na de adoptie. De LAS heeft daarom ook specifiek oog voor het verhaal van adoptieouders. Immers, adoptie is niet enkel voor het adoptiekind, maar ook voor de adoptieouders een ingrijpende ervaring. Adoptieouders hebben namelijk vele vragen over hun ouderschap en de ontwikkeling van hun kind. Bovendien hebben adoptieouders zelf vaak erg stressvolle jaren achter de rug. Heel wat adoptieouders hebben te maken gehad met vruchtbaarheidsproblemen, en hebben een lang beslissings- en evaluatieproces achter de rug. Tenslotte hebben zij vaak lang moeten wachten op hun adoptiekind.
Eveneens in tegenstelling tot het merendeel van bestaand adoptieonderzoek wil de LAS niet enkel onderzoeken wat adoptieouders en -kinderen kwetsbaar kan maken, maar ook en vooral wat hen veerkracht biedt.

De LAS beoogt aldus inzicht te verwerven in de ontwikkelingstrajecten die mogelijk zijn in het kader van adoptie, zowel bij adoptieouders als bij adoptiekinderen, en dit met het oog op het aanreiken van concrete handvatten voor ondersteuning van en preventie en interventie bij adoptiegezinnen in Vlaanderen.


Onderzoeksopzet


De LAS is opgezet als een grootschalig langetermijnonderzoek en start voor de aankomst van het kindje. Concreet betekent dit dat de volgende gezinnen in aanmerking komen:
(a) koppels die een overeenkomst getekend hebben met en op de wachtlijst staan
       van een Vlaamse dienst voor interlandelijke adoptie;
(b) het gaat om een eerste kindje met een leeftijd tussen 0 en 2,5 jaar;
(c) er zijn geen biologische kinderen.
Ouders die in aanmerking komen, krijgen vervolgens meer uitleg over het onderzoek door één van de vaste LAS-onderzoeksmedewerkers, die bij toestemming door beide ouders hen (en later hun adoptiekind) gedurende een periode van vijf jaar zal opvolgen. Concreet zijn er contactmomenten voorzien voor de kindtoewijzing, een aantal weken na aankomst van het adoptiekind, 6 maanden na aankomst van het adoptiekind, 12 maanden na aankomst van het adoptiekind, en vervolgens om het jaar.

De LAS maakt gebruik van multipele methoden – zowel vragenlijsten als interviews en observaties – om de ervaring en het verhaal van de deelnemende adoptiegezinnen zoveel mogelijk tot z’n recht te laten komen.